Jeugdhulp organisaties: Stop met Den Haag bestoken en zoek je lokale gesprekspartners op

Afgelopen weken kwamen er zorgelijke geluiden uit het veld van de jeugdhulp. VGN samen met GGZ Nederland, Jeugdzorg Nederland en VOBC stuurden een brief naar de tweede Kamer. “Betere jeugdhulp is nog ver weg” was de kop. Kort samengevat vroegen ze het kabinet om de kwaliteit van de wijkteams af te dwingen, de regionale samenwerking van gemeenten verplicht te stellen, informatievoorziening te standaardiseren, en door niet op prijs aan te besteden maar op kwaliteit.

Een deel van de zorgen erkende de staatssecretaris tijdens het debat hierover in de tweede kamer, want het zijn weeffouten van de enorme decentralisatie operatie. Zo wordt er heel hard gewerkt om informatie-voorziening te standaardiseren en om inkoop-vormen in drie modellen te gieten. Het verzoek om iets te doen aan de administratieve lasten wordt dus al opgepakt.

Voor alle andere kwesties moeten de branche-organisaties echter niet bij het kabinet zijn. Dit is het primaat van de gemeenten. Het had ze gesierd om de gemeenteraden aan te schrijven, of de 49 regionale samenwerkingsverbanden (die allemaal nog bestaan, er zijn enkele verschuivingen maar het beeld dat ze allemaal desintegreren herkent ook de VNG niet). Dus koepel-organisaties: ga het gesprek aan met uw opdrachtgever, met uw financier. Die bepaalt het grootste deel van wat u vraagt. Waarom dit anders gaat dan u verwacht zult u niet in Den Haag horen. Wel bij de raadsleden, bij de wethouders, bij de regionale samenwerkingsverbanden, bij de lokale ambtenaren die hier elke dag mee bezig zijn. We gaan graag het gesprek met jullie aan.

 

Bureacratie heeft een aanzuigende kracht

Binnen de sector waar ik werk is er een ‘aanvalsplan bureaucratie’. Het zegt natuurlijk al genoeg dat het nodig blijkt. Maar ook het aanvalsplan zelf zorgt voor bureaucratie: er moeten lijsten worden bijgehouden, rapportages worden gemaakt, en er is iemand die steeds alles langs loopt.

Zo was ik ook betrokken bij een onderzoek naar de manier waarop functionerings- en beoordelingsgesprekken worden gevoerd naar aanleiding van een eerdere post, https://angelawerkt.wordpress.com/2014/11/15/wat-is-eigenlijk-het-nut-van-al-die-verplichtte-functioneringsgesprekken/. Dat ging gepaard met een werkgroep natuurlijk, en daar waren ook weer een hoop mensen bij betrokken want ja, draagvlak en zo. En als het woord draagvlak valt, dan weet je dat je als manager altijd de pineut bent.

Rondom een ander belangrijk thema, privacy, is nu een taskforce ingericht. Met stuurgroep, projectgroep, werkgroepen en sub-werkgroepen. Met aandachstfunctionarissen in iedere afdeling. Dat ging mijn medewerkers allemaal wel erg veel tijd kosten dus ging ik op zoek naar hoe dat anders kan. Mijn conclusie na drie gesprekken: ik zal zelf een notitie moeten maken met een nieuw voorstel en die agenderen in het management team. Waar ik ook niet echt tijd voor heb.

Maar wat helpt dan wel? Ik heb besloten om het over een andere boeg te gooien. ‘Wat je aandacht geeft, groeit’. Dus aandacht besteden aan het bestrijden van bureaucratie, maakt dat die bureaucratie weer groeit.

Gewoon negeren die hele handel dus! Eens kijken of dat beter werkt.

Kwijtschelden van schulden loont

Deze week was ik bij het Festival van Bestuurskunde, waar er een boeiende sessie werd gehouden over schuldenproblematiek. Daar kwamen wat onthutsende feiten op tafel:

  • 1 op de 5 Nederlanders worstelt met problematische schulden,
  • 80% hiervan is niet in beeld bij schuldhulpverlening.
  • Er gaat jaarlijks 11 miljard om in het oplossen en tegengaan van schulden.
  • De schuldenberg  waar we die 11 miljard tegenaan gooien, bedraagt 3,5 miljard.

De wijze waarop in Nederland omgegaan wordt met mensen in schulden, is gebaseerd op de aanname dat mensen zelf schuldig zijn aan het maken van schulden en zelf verantwoordelijk zijn voor het oplossen daarvan. Dat maakt dat mensen zich schamen om hiervoor hulp te vragen, en dat hulpverleners met sterke vooroordelen de “schuldigen” tegemoet treden.

Maar hoe zou het wel moeten? Het Nationaal Initiatief Herstructureren Schulden heeft een methode ontwikkeld en past deze inmiddels bij enkele gemeenten toe. Kern van de aanpak:

  • Installeren van een lokaal fonds. Het fonds neemt de schulden over van burgers zodat ze niet langer met verschillende schuldeisers werken maar alleen met één partij: de gemeente.
  • Binnen vier weken na aanmelding herstructureren schulden
  • Duurzaam nazorgtraject met lokale initiatieven: de handleiding hiervoor staat op hun site.

Uit recent wetenschappelijk onderzoek naar wat armoede doet met de hersens van mensen blijkt ook dat het vermogen om verstandige besluiten verdwijnt bij extreme armoede. Mensen zijn dan alleen aan het overleven. En ook meer dan voldoende aangetoond: straf helpt niet om gedrag te veranderen, beloning wel. En als ik dan kijk naar schuldsanering dan lijkt het toch echt meer op straf dan beloning: je krijgt namelijk jarenlang alleen handgeld om van te leven. Niet echt een motivatie om je aan te melden.

Na afloop bleef ik met die 11 miljard in mijn hoofd zitten en het feit dat we mensen met schulden niet echt een wenkend perspectief weten te bieden. Als we het nu eens echt anders aanpakken? Hier mijn idee:

  • Als mensen zich aanmelden, neemt de gemeente die schulden over, daar staat qua termijn maximaal vier weken voor.
  • Mensen krijgen vervolgens een maatwerktraject waarbij ze werken aan gedragsverandering, dit kan gekoppeld zijn aan de schulden maar ook aan andere levensgebieden.
  • Als beloning voor deze gedragsverandering wordt steeds een deel van de schulden kwijtgescholden.

Zou dat werken? Wat denken jullie? Reacties zijn welkom.

Samen kom je verder: verslag werkbezoek

Hoe gaat het nu in het echt? Ik blijf bij mijn goede voornemen om wekelijks buiten het stadhuis te komen en de praktijk in te duiken. Vaak is dat binnen de gemeente of regio, maar ik kom ook graag bij andere gemeenten om te kijken hoe ze het daar doen. Gisteren was ik op werkbezoek bij de gemeente Alphen a/d Rijn. Zij hebben daar twee opvallende oplossingen geïmplementeerd:

  • Integraal toegang: het serviceplein is de eerste ingang voor alle vragen in het sociaal domein, daarvandaan wordt de burger verder geholpen.
  • Community centra in de wijken waar er een samensmelting heeft plaatsgevonden van de hulp vanuit het oude welzijn, nieuwe WMO-taken zoals dagbesteding en begeleiding en de verplichte tegenprestatie uit de participatie-wet.

Wat viel mij zoal op tijdens de presentaties, werkbezoek en gesprek na afloop?

De gemeente stuurt zoveel mogelijk op outcome (wat is het effect), maar blijft ook kijken naar output (doen we de goede dingen), throughput (doen we de dingen goed) en de inzet van middelen (zijn we zuinig met de belastingcenten). Er is hierbij aandacht voor de ontwikkeling van nieuwe vormen van risico-beheersing en control: deze blijven nodig maar zijn anders als je op outcome stuurt. Traditionele risico-beheersing en control zit vooral op output en middelen niveau, op outcome niveau is het nog onderontwikkeld. Verder zijn er ‘leertafels’ opgezet, waarbij aan de hand van casuïstiek lessen worden getrokken van hoe het beter kan.

In de community centra (TOM in de buurt) wordt door het combineren van de werkvormen een doorlopende lijn voor burgers mogelijk. Ze komen bijvoorbeeld binnen met een vraag naar dagbesteding, maar als het doel van het traject is bereikt kunnen ze door als vrijwilliger binnen of buiten het centrum of gaan aan het werk. De hulpvormen worden gegroepeerd naar de aard van de vraag van de burger: wat is je droom? De centra functioneren tevens als buurthuis en vrijwel alle doelgroepen worden door elkaar geholpen. De jongere met een verstandelijke beperking blijkt bijvoorbeeld best goed geholpen te kunnen worden door een mede-cliënt met hersenletsel. Dat soort combinaties gaan (ook voor de hulpverleners) verrassend goed. Vanuit het centrum ontstaat met hun werkwijze vanzelf burger initiatief: mensen worden aangespoord om zelf iets te gaan ondernemen, tijdens of na afloop van het doorlopen traject.

De centra werken vrijwel zonder beschikkingen, de voorzieningen zijn als ‘algemeen’ gelabeld. De burger is eigenaar van het plan van aanpak en dat vormt de afspraak die er tussen gemeente en burger wordt gemaakt. Dat levert een enorme besparing op in administratie en bureaucratie en is vermoed ik een belangrijke reden dat er geen wachtlijsten ontstaan.

En het enthousiasme van de werkers in het centrum was erg aanstekelijk! Ik kreeg er weer helemaal zin in.

Vooruit kijken! Vooruit doen! Verslag van het #VNGKING jaarcongres

Waar gaat het heen met het sociaal domein? Vandaag was ik op het VNG-King congres met als titel ‘De toekomst is Nu!’. Een ochtend vol futurologen die vooral vertelde dat de toekomst niet te voorspellen valt, maar dat je wel moet blijven dromen, want anders komt er niets van de grond. Ik ga zeker het boek van Daan Quakernaat bestellen ‘Ga kathedralen bouwen’. Kijk even op zijn website, daar staat al voldoende stof tot nadenken: http://www.quakernaat.com/

Hoe moet het verder met de decentralisaties?

‘s-Middags een workshop gevolgd van Jos van der Lans en Pieter Hillhorst waarbij hun nieuwste publicatie werd uitgereikt ‘Nabij is beter II – Over het inlossen van de beloften van de decentralisaties’. Hun aanbevelingen zijn ook digitaal te lezen vanaf morgen (dus nu nog even geen link). Wat mij bij bleef is dat ook zij een pleidooi hielden om te investeren in het ontwikkelen van het leervermogen van de wijkteams (ik heb hier eerder over geblogd, zie resultaatgericht sturen). Veel voorbeelden kwamen voorbij van gemeenten die steeds integraler werken, op velerlei manieren: door mensen bij elkaar te zetten in dezelfde kamer, door bij elkaar op bezoek te gaan. Dat begint wel goed te lopen. Er is nog veel ruimte om ‘de expertise naar voren’ te organiseren. Dus niet doorverwijzen naar een specialist, maar de specialist vragen om de betrokkenen (ouders, wijkteamleden, leraren) te helpen om te gaan met de problemen van het kind.

Een onderwerp waar er maar weinig voorbeelden van waren in de zaal was het onderwerp ‘collectivisering’. Als gemeente zijn we geneigd alles per individu (‘maatwerk’, ‘eigen kracht’ ) op te pakken. Terwijl mensen bij elkaar zetten die eenzelfde problematiek hebben juist heel krachtig kan zijn. De platforms die dan ontstaan zijn niet voorspelbaar. Maar de voorbeelden die er wel zijn (Autisme-café, vereniging van pleegouders, allerlei ‘lotgenoten’ platforms) geven voldoende aanleiding om te denken dat er hier meer mogelijkheden zijn dan die we nu zien. Willen we dat als gemeente aanwakkeren, moeten we afstappen van het idee dat maatwerk per definitie individueel is. Maatwerk kan juist ook heel goed collectief.

Is Uden de toekomst van burger-/overheidsparticipatie?

Iets heel anders: het verhaal van de gemeente Uden. Samen met burgers uit de gemeente is een visie op Uden in 2020 ontwikkeld. Er is toen geen uitvoeringsprogramma gestart vanuit de gemeente – vanuit de gedachte dat de visie die er lag, vanuit de gemeenschap gestart was en dus ook door die mensen verder getrokken kon worden. Bij het aantreden van de nieuwe Raad na de verkiezingen in 2014 is met de nieuwe Raad besloten om een G1000 te organiseren om de prioriteiten voor de nieuwe bestuursperiode te stellen. Uit die twee sessies een groep van een paar honderd betrokken burgers opgestaan die nu zelf aan de slag zijn met zo’n 41 projecten, die soms wel en soms niet de betrokkenheid van de gemeente vragen. En ook daarbij botsen de ‘oude wereld’ van vergunningen en systemen met de ‘nieuwe wereld’ van sociale initiatieven. De gemeentelijke organisatie ontwikkelt zich nu ook verder: niet in hokjes, maar in het verder helpen van initiatieven. Politiek is het ook wel erg spannend: hoe verhouden Raad en college zich tot alle initiatieven? In de discussie werd verwezen naar dit filmpje van de onvolprezen Marije van den Berg: Democratisch Zuivere Koffie. 

Er is ook nog een diversiteitsagenda vermoed ik….

Intrigerend vond ik vandaag de man-vrouw verhoudingen. Bij het plenaire deel: allemaal mannelijke sprekers van boven 50. Bij de workshops ook bijna alleen maar mannen. 70% van de zaal netjes in blauw pak. En 70% van de zaal man. Terwijl 70% van de mensen die in het sociaal domein werken vrouw zijn. Hoe komt dat toch?

Hoe in te kopen in het sociaal domein?

Hoe gaan gemeenten om met de inkoop van nieuwe taken in de WMO? Het CPB deed onderzoek en presenteerde vandaag de resultaten. Het was een boeiende seminar – vooral vanwege de Murphy’s Law gehalte. Alles wat fout kon gaan, ging fout. Er was een onduidelijke aanmeldprocedure met lange rijen, een spreker die onwel werd, de geluidsinstallatie sloeg op tilt en middenin een presentatie ging de beamer uit. Zoals gebruikelijk waren de leukste gesprekken echter achteraf bij de borrel (met lauw bier en dito bitterballen).

Marc Pomp (http://www.marcpomp.nl/Wie.html) startte met een betoog over doelmatigheid in de gezondheidszorg. Gemeenten willen graag naar vormen van populatiebekostiging, maar daar zijn wel een aantal randvoorwaarden voor nodig. Belangrijkste: je moet als gemeente je doelstellingen wel helder hebben en ook de gewenste kwaliteit goed kunnen definiëren. Anders krijg je een ‘run to the bottom’ met steeds lagere prijzen en dalende kwaliteit. Alle ins en outs en ervaringen hiermee internationaal zijn te vinden in deze publicatie: https://www.nza.nl/1048076/1048181/Research_paper_Populatiebekostiging_Panacee_hype_of_verkapt_kartel.pdf. Verplichte kost voor iedere gemeente die overweegt met deze financieringsvorm te gaan werken.

Daarna kwamen de resultaten van het CPB onderzoek langs. Er staat een keurige samenvatting in het rapport: http://www.cpb.nl/publicatie/taken-uitbesteed-maar-dan-de-gemeente-als-inkoper-binnen-het-sociaal-domein. Anders dan de titel vermoedt gaat het alleen over de nieuwe taken van de WMO. De ultrakorte conclusie? Onder tijdsdruk hebben de meeste gemeenten in regionaal verband de oude AWBZ bekostigingsvorm (product x prijs) toegepast. Ongeveer 1/3 is met andere vormen aan de slag gegaan. Het rapport is verder wel een handzaam overzicht van alle sturingsknoppen voor inkoop in het sociaal domein en wat dat betreft zeer aan te raden als naslagwerk.

Kritiek uit de zaal kwam op de economische benadering van het CPB – en zij zijn niet de enige die de hele decentralisatie als een bezuinigingsopgave zien. Het ging toch over een andere manier van met elkaar omgaan? Op uitgedaagd worden op wat je als mens wél kan, ook al zijn je mogelijkheden beperkt? Er zit een gedachtegoed achter en die raakt ver op de achtergrond met dit soort analyses.

Bij de discussie na afloop en bij de borrel heb ik lang gesproken met een vertegenwoordiger van de WMO Adviesraad voor jeugdhulp van Utrecht Zuid-Oost. Net als ik mist zij de stem van de cliënt in alle inkoop afspraken die nu gemaakt worden. Geld en technische discussies domineren het gesprek en hoewel er volop in regionaal verband wordt samengewerkt worden er geen regionale platforms ondersteund waarin de stem van de cliënt gehoord wordt. Ik ben blij dat we dit hiaat gaan vullen in onze regio (Noord Oost Brabant) wat jeugdhulp betreft in 2016, maar het is natuurlijk wel twee jaar te laat.

Er is, kortom, nog volop werk aan de winkel.

#Decentraliseren? Centraliseren is juist nodig in het sociaal domein bij gegevensuitwisseling en opleidingen

Gemeenten hebben vanaf dit jaar een hoop nieuwe taken erbij gekregen als gevolg van de nieuwe Jeugdwet en de nieuwe WMO. Vandaag sprak ik erover met enkele collega’s, zowel van gemeenten als van zorgaanbieders. Conclusie? Twee onderdelen hadden helemaal niet aan gemeenten overgelaten moeten worden.

Allereerst is verzuimd om afspraken te maken over gegevensuitwisseling. Voorheen hadden zorgaanbieders te maken met enkele zorgkantoren of een provincie, nu met 393 gemeenten. Dat heeft geresulteerd in een totaal van 145.000 productcodes in het land voor jeugdwet en wmo samen. Gegevensuitwisseling kan niet veilig gebeuren omdat de landelijke standaarden hiervoor nog niet overal werken. Facturatie van geleverde zorg is ook een drama. Gemeenten moeten kunnen vaststellen dat de zorg is geleverd aan een inwoner binnen hun gebied, en zorgaanbieders mogen geen medische gegevens verstrekken. Hoe moet een gemeente nu vaststellen dat er zorg verleend is aan een inwoner? En hoe moet de zorgaanbieder factureren? Er is nu een wetswijziging onderweg die dit gedeeltelijk repareert, maar het is symptoombestrijding. Gegevensuitwisseling zou juist op landelijk niveau gecoördineerd moeten worden om privacy van burgers te waarborgen. En om te voorkomen dat we omkomen in bureaucratie.

Het tweede grote hiaat betreft de kwalificaties van de professionals. Gemeenten hebben in 2015 overal sociale wijkteams opgezet, met generalisten die bij multi-problem gezinnen in staat zijn om meerdere problemen aan te pakken en te regisseren. De professional moet de ruimte krijgen, is het credo – hij/zij moet voldoende mandaat hebben om te doen wat er nodig is. Dat heet professioneel vertrouwen – weten dat iemand het kan en mag oplossen. Maar hoe weet de professional in de wijkteam wat hij/zij moet doen? Veelal komen ze uit een gespecialiseerde instelling, en zijn dus lang nog niet generalist. En wat is nou eigenlijk de beste manier om multi-problematiek aan te pakken? Welke methodiek past het beste bij welke situatie? Het ontbreekt (nog) aan professionele standaarden. Er is geen opleiding, er is geen methodiek. Al zijn alle medewerkers van de sociale wijkteams met de beste intenties aan de slag gegaan, een stuk van de basis is afwezig. En die basis kan niet door 393 gemeenten afzonderlijk gebouwd worden, maar moet op landelijk niveau.